Matthäus-Passion: ‘Kommt ihr Töchter, helft mir klagen’ – een reconstructie

Deze reconstructie van Bach’s  Matthäus-Passion voor één koor en één orkest werd 18 maart 2017 voor het eerst uitgevoerd in Hilversum door 8 zangers en 15 spelers:

Bas Ramselaar (Christus) en Joep van Geffen, bas
Erik Janse (evangelist) en Adrian Fernandes, tenor
Barnabas Hegyi en Tobias Segura, countertenor
Margreet Rietveld en Isabel Delemarre, sopraan
&
Barokorkest Cappella Maria Barbara o.l.v. Henk van Zonneveld
1e viool: Barbara Erdner, Anfisa Kalinina,
2e viool: Laura Bruggen, Tomasz Plusa
altviool: Jan Willem Vis, Imke Jansen
cello: Cassandra Luckhardt
contrabas: Jan Hollestelle
traverso: Mirjam vd Maas, Marjolein Lever
hobo: Allison Smith, Sarah Aßmann
fagot: Kim Stockx
theorbe: Harjo Neutkens
orgel: Henk van Zonneveld

Een ‘oer’-Matthäus
Wie jaarlijks een Matthäus-Passion (MP) bezoekt zal niet verbaasd zijn om in het programma naast de nodige praktische informatie telkens een inleiding aan te treffen over de achtergronden en ontstaansgeschiedenis. De volgende inleiding vormt daarop toch een uitzondering, omdat niet alleen de bekende feiten aan bod komen maar ook enige speculatie…

Van Frühfassung naar Urfassung
We proberen ons voor te stellen hoe Bach zich na de compositie van zijn Johannes-Passion (1724) heeft voorbereid op de Matthäus-Passion. De vormen die hij in de JP een paar keer hanteert leveren samen met de Frühfassung (Ff) van de MP (bekend als BWV 244b en waarschijnlijk zo uitgevoerd in 1727) de basis voor een hypothetische Urfassung (Uf) van de MP, waarin een aantal delen wel de dialoogvorm hadden maar nog niet de dubbelkorigheid.
Deze hypothetische Uf komt tegemoet aan een al vaak gesignaleerd probleem in de uiteindelijk laatste MP-versie van na 1736: waar Bach een dubbelkorig onderdeel voorschrijft is vaak helemaal geen dubbelkoor nodig. We vinden vier mogelijkheden:
–     beide koren zingen dezelfde notentekst en hebben dus in wezen geen verschillende rol;
–     alleen de beginmaten zijn verschillend voor elk koor, maar in het vervolg is koor II slechts een versterking van koor I;
–     de koren wisselen elkaar af met dezelfde tekst en kunnen dus zonder veel moeite elkaars partij overnemen, beide koren (en orkesten) kunnen zo in elkaar geschoven worden;
–     de twee koren hebben ieder hun eigen rol (in de zgn. dialoog-delen).
Het lijkt er dus op dat een éénkorige versie model heeft gestaan voor een latere uitwerking voor dubbelkoor. Alleen de dialoog-delen lijken deze theorie tegen te spreken. Hierin wordt gecommuniceerd tussen twee koren of tussen solist en koor. Dat zijn de delen die niet zomaar zijn aan te passen voor één koor en één orkest. Maar als we dit vergelijken met enkele delen uit de JP zijn er toch interessante dingen te ontdekken:
–     In de basaria ‘Eilt nach Golgotha’ (JP 46) vindt een dialoog plaats tussen de bas, met de meeste tekst en de rest van het koor dat alleen maar vraagt (27 x ‘Wohin?’). Dat zijn duidelijk twee verschillende rollen, net zoals in de MP-delen 1, 27a en 60. De solist doet steeds een oproep aan de andere zangers, die daarop reageren met ‘was, wie, wen, wohin of wo’.
–     In de JP-aria ‘Mein teurer Heiland’ doet Bach het anders. De solist communiceert niet echt met de andere zangers, maar als we de teksten vergelijken hebben ze toch heel veel met elkaar te maken. Het koor zingt niet zomaar een ‘achtergrondkoraal’ maar wordt beïnvloed door de solist en geeft per regel een passende reactie. We vinden deze vorm in de MP-delen 19, 20 en 30. De overige dubbelkorige MP-delen zijn terug te brengen tot één koor door de partijen hiervan te verdelen over de verschillende orkeststemmen.

Het openingskoor
De reconstructie van het openingskoor (of beter aria, zoals Picander het aanduidt) vraagt om een aparte behandeling. We hebben hier wel te maken met twee koren (hoewel het aandeel van koor II vrij beperkt is) met twee verschillende teksten en met een orkestbezetting die te reduceren is tot één orkest door de partijen in elkaar te schuiven. Het grote verschil met de JP-aria’s is de rol van koor I: een vierstemmig koor is natuurlijk geen solist. Vergelijking met de aria ‘Ach, nun ist mein Jesus hin’ uit het 2e deel (in de Ff voor bassolist en koor) en het contrast in de tekst (‘helft mir klagen’ in koor I tegenover de Töchter van koor II) suggereert een oerversie waarin deze mir inderdaad één persoon is, dus een solist.
Wat verder nog ontbreekt is de tekst van het koraal ‘O Lamm Gottes unschuldig’. De melodie staat zowel voor het orgel als de houtblazers aangegeven, behalve in de 5e en 6e versregel; dan speelt alleen het orgel. De tekst van het koraal wordt heel persoonlijk:
‘all Sünd hast du getragen, sonst müssten wir verzagen’. Het koor (II) komt pas tot deze ontdekking in deel 19: ‘Ach, meine Sünden haben dich geschlagen! Ich, ach Herr Jesu, habe dies verschuldet, was du erduldet!’
Wanneer we het openingskoor nog wat beter bekijken, zien we dat vanaf maat 72 de vragen wie, was en wohin in het koor zijn verdwenen. Eensgezind zingen alle zangers nu de begintekst ‘Kommt ihr Töchter helft mir klagen’. Dat betekent dus dat de zangers van dit koor een verandering hebben ondergaan. Hun vragen zijn weg want ze zijn ‘bijgepraat’ door de solist en sluiten zich daarbij aan. De grote vraag is natuurlijk wie er dan vanaf maat 72 wordt aangesproken… Wel, beste luisteraar, dat bent u!
Nu wordt ú opgeroepen om mee te klagen over het lijdende Lamm Gottes, nu wordt van ú verwacht dat u in de volgende uren hetzelfde proces doormaakt: dat ook uw vragen worden beantwoord en dat u aan het eind van de MP kunt instemmen met de tekst die u vanaf het begin van de tenorsolist heeft gehoord.
Zo kunnen we het openingskoor beschouwen als een model voor de complete passie: de ontwikkeling die het koor doormaakt (dat is dus koor II uit de latere versie) is vooral te volgen in de dialoog-delen 1, 19, 20, 27, 30, 60 en 67 met als uiteindelijk resultaat dat ze in deel 67 zover zijn gekomen om telkens ‘mein Jesu’ te zingen.

© Henk van Zonneveld

1     ‘Kommt ihr Töchter, helft mir klagen’
https://www.youtube.com/watch?v=XuYZhXt-Pqk

koraal 3     ‘Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen’

koraal 10     ‘Ich bin’s, ich sollte büßen’

27a & 27b    ‘So ist…Sind Blitze’

koraal 29a     ‘Jesum laß’ ich nicht von mir’

koraal 32     ‘Mir hat die Welt trüglich gericht’

koraal 37     ‘Wer hat dich so geschlagen’

koraal 40     ‘Bin ich gleich von dir gewichen’

koraal 44     ‘Befiehl du deine Wege’

koraal 46     ‘Wie wunderbarlich ist doch diese Strafe’

koraal 54     ‘O Haupt voll Blut und Wunden’

koraal 62     ‘Wenn ich einmal soll scheiden’

66 & 67     ‘Nun ist der Herr zur Ruh gebracht’