CD6: J.S.Bach: Triosonates

Barbara Erdner, barokviool & Henk van Zonneveld, kabinetorgel en clavecimbel

Sonata V (BWV 529)
Sonata I (BWV 525)
Sonata II (BWV 526)
Sonata VI (BWV 530)
Sonata IV (BWV 528)

Een Triosonate in de tijd van J.S.Bach was een compositie voor vier spelers, bijvoorbeeld twee violen, cello en clavecimbel. De zes Orgelsonates schreef Bach voor slechts één speler, maar worden vooral de laatste decennia met allerlei bezettingen gespeeld. Voor een uitvoering door viool met orgel of clavecimbel zijn de volgende argumenten aan te voeren:
* Volgens Johann Nikolaus Forkel (1802) schreef Bach deze Sonates als oefenstof voor zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann., wellicht als vervolg op het Klavierbüchlein uit 1720. Het is denkbaar dat Friedemann tijdens de lange winteravonden hiermee thuis werd bezig gehouden terwijl zijn vader de bovenste partij op viool speelde.  Een koude kerk is immers niet zo aanlokkelijk om uren achter elkaar te studeren, ook al staat daar een prachtig orgel.
* De eerste partij van alle Sonates kan zonder problemen op viool gespeeld worden, zonder het geheel te transponeren naar een andere toonsoort.
* De zes Sonates voor viool en obligaat clavecimbel (BWV 1014-1019) schreef Bach enkele jaren eerder; deze vorm van kamermuziek werd in huize Bach dus al langer gepraktiseerd.
Het eerste deel van de vierde Sonate is van vroeger datum: in de Cantate “Die Himmel erzählen die Ehre Gottes” uit 1723 (BWV 76) componeerde Bach een Sinfonia voor hobo d’amore, viola da gamba en continuo. Het Adagio e dolce uit de derde Sonate gebruikte hij als middendeel voor het Tripelconcert (BWV 1044) met toevoeging van een vierde partij. Verder zijn van enkele Sonatedelen vroegere versies bekend, zodat aannemelijk is dat Bach rond 1730 deze ‘leergang’ heeft samengesteld uit oud en nieuw materiaal en dit vervolgens in 1733 als definitieve versie aan zijn oudste zoon heeft meegegeven, waarschijnlijk in verband met diens sollicitatie naar een organistenpost in Dresden.

De Sonates I, II en IV werden opgenomen in de Koepelkerk van Purmerend met het Bätz-koororgel,  de Sonates V en VI in het Kleine Kerkje te Sleeuwijk met clavecimbel.